Januari 2024. Rijkswaterstaat trekt de stekker uit de aanbesteding voor de renovatie van de Van Brienenoordbrug, een opdracht van ruim 400 miljoen euro. Niet omdat het werk kon wachten, maar omdat er welgeteld één inschrijving binnenkwam, met een risicoprijs die de minister in zijn brief aan de Kamer "excessief hoog" noemde (Kamerstuk 29 385 nr. 137, januari 2024). Eén bieder. Geen concurrentie, geen gunning, wel een brug die op onderhoud wacht.

Wie dat als een incident leest, mist de reeks eronder. Wij legden tien jaar TenderNed-gunningsdata naast elkaar — 204.711 publicaties, 2016 tot en met 2025 — en de lijn is ondubbelzinnig. In 2017 kwam op 4,9% van de percelen in bouw en techniek (CPV 45 en 71) precies één inschrijving binnen. In 2025 is dat 12,1%: tweeënhalf keer zoveel. Het mediane aantal inschrijvers per bouwperceel zakte in dezelfde periode van vier naar drie. Dat is geen kapotte markt en geen achterkamer; het is een sector met volle orderboeken en te weinig mensen, die kiest waarvoor hij nog rekent — en het risicovolste werk laat liggen.

Tweeënhalf keer zoveel percelen zonder concurrentie

De reeks kruipt eerst en springt daarna. Van 4,9% in 2017 via 10,3% in 2023 naar 12,3% in 2024; in 2025 blijft hij hangen op 12,1%. De rest van de economie doet het geen haar beter: over alle sectoren steeg het eenbodsaandeel van 11,3% naar 18,5%. Bouw en techniek beginnen lager, maar lopen harder in.

Percelen met precies één inschrijver 2017 2023 2024 2025
Bouw & techniek (CPV 45/71) 4,9% 10,3% 12,3% 12,1%
Alle sectoren 11,3% 16,7% 18,9% 18,5%

Het opvallendste zit onder de oppervlakte. In 2017–2020 maakte het voor de concurrentie niets uit of een bouwopdracht Europees of nationaal werd aangekondigd: 6,8% tegen 6,5% eenbodspercelen. In 2024–2025 is dat beeld gekanteld. Europese procedures in de bouw zitten nu op 12,4%, nationale op 10,0%. Juist waar de opdrachten het grootst zijn en het toezicht het scherpst, is de tafel het leegst. De Van Brienenoordbrug was geen uitschieter; hij was de karikatuur van een patroon.

Eerst de meetlat: de knik van september 2023

Eén ding hoort u te weten voordat u deze cijfers gelooft. TenderNed stapte op 27 september 2023 over op de Europese eForms-formulieren, en die overgang laat sporen na in de data. In onze maandcijfers is het te zien: januari tot en met maart 2024 liggen op 5,4%, 6,9% en 6,2% — het niveau van 2023 — en in april 2024 staat er ineens 16,1%. Dat is geen marktschok in één maand; dat is het moment waarop gunningen van eForms-aanbestedingen de statistiek gaan domineren (een aanbesteding staat mediaan zo'n 84 dagen open, de gunning volgt mediaan nog eens circa 76 dagen later).

Het artefact zelf hebben we opgespoord: de oude formulieren bevatten nulmeldingen — percelen met nul geregistreerde inschrijvingen, in 2023 zelfs 16,3% van de gerapporteerde percelen — en eForms registreert die niet meer. Die nullen drukten de oude percentages kunstmatig. Wij hebben ze uit de héle reeks verwijderd; alle cijfers in dit stuk zijn de gecorrigeerde reeks. De sprong van 2024 krimpt daardoor van circa 3,1 naar circa 2,0 procentpunt — kleiner, maar hij verdwijnt niet, en de trend over het decennium blijft onaangetast. De Europese Commissie waarschuwt in haar eigen Single Market Scoreboard dat de overgang van 2023 op 2024 de vergelijkbaarheid van aanbestedingsdata raakt. Wie u een grafiek van die knik laat zien zonder correctie, laat u naar een formulierwijziging kijken en noemt dat een markt.

Volle boeken, schaarse handen, verschoven risico

Waar komt de echte daling dan vandaan? Uit capaciteit, en uit risico.

De capaciteitskant is goed gedocumenteerd. De werkvoorraad van Nederlandse bouwbedrijven stond in september/oktober 2024 op 11,0 maanden — het hoogste niveau sinds het EIB in 2000 begon te meten (EIB-conjunctuurmeting, 2024). Het personeelstekort werd in 2024 opnieuw nijpender, het scherpst in de grond-, weg- en waterbouw (EIB, Arbeidsmarktrapportage 2024). En tegenover die volle boeken zette de overheid méér vraag: TenderNed telde in 2024 een groei van 7,5% naar 12.800 aanbestedingen (TenderNed, Jaarstatistieken 2024). Meer vraag, vaste capaciteit: dan wordt inschrijven een keuze, en niet-inschrijven ook.

De risicokant verklaart waarom juist de grote werken het hardst worden geraakt — en daarmee de omkering tussen Europese en nationale procedures. De Kamerbrief over de Van Brienenoordbrug is er openhartig over: aannemers zijn risicomijdend geworden door stijgende bouwkosten en personeelstekorten, geven de voorkeur aan projecten met een lager risicoprofiel, en de concurrentie op grote projecten neemt af; Rijkswaterstaat kondigde aan toekomstige megaprojecten op te knippen. Wie het risico van een megaproject volledig bij de markt legt, krijgt de prijs van dat risico terug — of helemaal geen prijs.

TenderNed zelf kwam in september 2024 met een analyse die onze reeks vrijwel spiegelt: het gemiddelde aantal inschrijvingen op werken daalde van 6,8 in 2017 naar 4,3 in de eerste helft van 2024, en het eenbodsaandeel bij werken verdubbelde ruim, van 4% naar 10%. En aan de inkoopkant ziet men het ook: in een Nevi-enquête onder ruim honderd publieke inkopers (november 2024) meldt meer dan de helft dat de concurrentie gestaag afneemt, het sterkst in bouw en infra.

Nederland zakt naar de norm

Voor wie denkt dat dit een Nederlandse ziekte is: het omgekeerde. De Europese Rekenkamer becijferde dat het eenbodsaandeel EU-breed steeg van 23,5% in 2011 naar 41,8% in 2021 (ECA, Speciaal verslag 28/2023). Nederland staat op het Scoreboard van 2024 op 24%, ónder het EU-gemiddelde van 28%. Wij waren lang een uitzonderlijk concurrerende aanbestedingsmarkt; we zakken nu richting de Europese norm. Dat is geen geruststelling — het betekent dat de daling structureel is, niet conjunctureel.

Voor opdrachtgevers is elke inschrijving die uitblijft een prijssignaal over risico, eisen en timing. Voor inschrijvers is de conclusie ongemakkelijker en interessanter tegelijk: de concurrentie is niet verdwenen, ze is selectief geworden. Het mediane bouwperceel trekt nog drie rekenende partijen; een groeiend deel trekt er nog maar één. Wie weet wélke tafels leeg blijven, rekent op de juiste opdrachten — en zit steeds vaker alleen aan tafel, juist wanneer dat het meeste waard is.