Hoeveel rekentijd krijgt een inschrijver op een Nederlandse bouwaanbesteding? Wie het jaargemiddelde opzoekt, vindt een keurig antwoord: mediaan 84–85 dagen tussen aankondiging en sluitingsdatum, in bouw en ingenieursdiensten (CPV 45/71), elk jaar sinds 2020. Maar dat cijfer verhult het echte antwoord. Hoeveel tijd u krijgt, hangt vooral af van wie er aanbesteedt: tussen opdrachtgevers loopt de mediane rekentijd uiteen van 32 tot 207 dagen. Zelfde wet, zelfde soort werk — ruim zes keer zoveel tijd.

Neem twee aanbestedende diensten uit dezelfde dataset, dezelfde jaren, dezelfde CPV-hoofdstukken. Wie tussen 2023 en 2025 rekende voor Gemeente Gulpen-Wittem, kreeg mediaan 36 dagen tussen aankondiging en sluiting — vijf weken om het bestek te lezen, vragen in te dienen voor de nota van inlichtingen, onderaannemers te bevragen en een prijs neer te leggen. Wie hetzelfde deed voor Rijkswaterstaat Grote Projecten en Onderhoud, kreeg mediaan 156 dagen: ruim vijf maanden, gemeten over 68 aanbestedingen. Een totaal andere wedstrijd.

Dit stuk kijkt naar de volledige TenderNed-data 2016–2025 (204.711 publicaties, OCDS-bulkdata), toegespitst op bouw en ingenieursdiensten. De rekentijd — het venster tussen aankondiging en sluitingsdatum — is de enige tijd die u als inschrijver werkelijk bezit. De data laat twee dingen zien: dat venster is sinds 2020 structureel ruimer geworden, én de spreiding tussen opdrachtgevers is zó groot dat het jaargemiddelde nauwelijks iets zegt over uw volgende tender. Dat tweede is waar dit stuk om draait.

Eerst de achtergrond: de trede van 2020

De landelijke verschuiving is geen sluipende toename, maar een trede. Van 2016 tot en met 2019 schommelde de mediane rekentijd in de bouw tussen 67 en 71 dagen. In 2020 sprong hij naar 84 dagen, en die stap is sindsdien gebleven: 84–85 dagen in elk jaar erna. Over alle sectoren heen steeg de mediaan slechts van 51 naar 56–57 dagen — de bouw kreeg er twee weken bij, de rest van de markt een kleine week. Ook de echt krappe vensters werden zeldzamer: het aandeel aanbestedingen met minder dan 35 dagen rekentijd daalde van ~11–12% (2016–2019) naar 7–8% (2021–2025). Opdrachtgevers geven structureel méér tijd, niet minder.

Die twee extra weken zijn niet gelijk verdeeld. Europese procedures gingen van mediaan 89 dagen (2019) naar 101 dagen (2022 én 2025); nationale procedures bleven al die jaren pendelen tussen de 50 en 63 dagen. De verruiming zit dus precies in het segment — de werken boven de Europese drempel — waar de concurrentie het sterkst terugliep: Europese bouwprocedures tellen inmiddels méér loten met precies één inschrijver dan nationale (12,4% tegen 10,0% in 2024–25), waar beide in 2017–2020 nog vrijwel gelijk lagen (6,8% om 6,5%). Of het één een antwoord op het ander is, laat de data niet zien. Wél dat de extra rekentijd de terugloop niet heeft gekeerd.

Kerncijfer (CPV 45/71) Waarde
Mediane rekentijd 2016–2019 67–71 dagen
Mediane rekentijd 2020–2025 84–85 dagen (alle sectoren: 51 → 56–57)
p75 bouw, nu 136–139 dagen
Korte vensters (minder dan 35 dagen) ~11–12% (2016–19) → 7–8% (2021–25)
Europees vs nationaal (mediaan) 89 → 101 dagen; nationaal ~50–63
Spreiding per opdrachtgever 2023–25 mediaan 32 tot 207 dagen (167 opdrachtgevers, min. 8 aanbestedingen)

De opdrachtgever bepaalt, niet het jaargemiddelde

Voor wie inschrijft, is dat jaargemiddelde intussen bijna irrelevant. Wij rangschikten 167 opdrachtgevers met minimaal acht bouwaanbestedingen in 2023–2025 op hun mediane rekentijd. Bovenaan staat de Uitvoeringsorganisatie Infrastructuur en Energie van de Gemeente Amsterdam met een mediaan van 207 dagen, gevolgd door Provincie Noord-Holland met 167 dagen over 39 aanbestedingen en Rijkswaterstaat GPO met 156 dagen over 68. Onderaan: Groningen Seaports met 32 dagen, Gulpen-Wittem met 36, Provincie Flevoland met 41 dagen over 25 aanbestedingen.

Wij stellen de cijfers vast; waarom de ene organisatie ruim zes keer zoveel tijd geeft als de andere, laat de data niet zien. Wat de data wél laat zien: het verschil is consistent per opdrachtgever, over tientallen aanbestedingen heen. Het is beleid — geschreven of ongeschreven.

Rekentijd is capaciteit

Waarom dit ertoe doet, staat in de conjunctuurcijfers van het Economisch Instituut voor de Bouw. De orderportefeuilles van Nederlandse bouwbedrijven stonden in september/oktober 2024 op 11,0 maanden werk — het hoogste niveau sinds het meten begon in 2000. Zo'n 40% van de bouwbedrijven meldde productiebelemmeringen, met personeelstekort als belangrijkste oorzaak in elke deelsector. En tegelijk registreerde TenderNed in 2024 juist 7,5% méér aanbestedingen: 12.800.

In die markt is een calculator geen kostenpost maar een schaars goed. Elke tender die het bedrijf aanpakt, verdringt een andere. Een venster van 36 dagen is dan geen ongemak: het is een voorselectie. Wie zijn calculatiecapaciteit weken vooruit heeft volgepland — en dat is bij volle orderboeken de norm — kan op zo'n termijn simpelweg niet meer instappen. Een venster van 156 dagen laat een bedrijf de tender inplannen náást het lopende werk. De rekentijd bepaalt zo mede wélke bedrijven überhaupt aan de start verschijnen, nog voor er één eis uit het bestek is gelezen.

Plan op de opdrachtgever

De praktische les is ongemakkelijk simpel. "Hoeveel tijd krijg ik?" is geen vraag over de wet of over het jaargemiddelde — het is een vraag over de aanbesteder. Een opdrachtgever die de afgelopen drie jaar mediaan 41 dagen gaf, gaat dat bij de volgende aanbesteding hoogstwaarschijnlijk weer doen. Wie die geschiedenis kent, kan capaciteit reserveren vóór de aankondiging er is, in plaats van erna te constateren dat vijf weken te kort is.

En voor aanbestedende diensten is de spiegel even direct: uw rekentijd is zichtbaar, vergelijkbaar en — zo blijkt — zeer verschillend van die van uw buren. In een markt waar inschrijvers kiezen welke tenders ze überhaupt rekenen, is de sluitingsdatum geen administratieve formaliteit meer. Het is uw eerste concurrentie-instrument.