Het gebeurt op elke netwerkborrel in de bouw. Iemand vertelt over een aanbesteding die net gegund is — "en er was maar één inschrijver". Een korte stilte. Een opgetrokken wenkbrauw. Iemand mompelt iets over vooroverleg, over hoe het "in die regio nu eenmaal gaat". De reflex is een kwart eeuw oud en heeft een geboortejaar: sinds de bouwfraude-affaire die in 2001 aan het licht kwam, betekent één inschrijver in het Nederlandse collectieve geheugen geen lege markt, maar een volle achterkamer.
Wij hebben die reflex getoetst aan tien jaar gunningsdata. De uitkomst is ongemakkelijk voor de borrelpraat: percelen met één inschrijver gaan níét vaker naar de vaste winnaar van die opdrachtgever dan percelen waar vijf partijen om vechten. Wie een kartel zoekt in de cijfers, vindt iets anders — drukte.
De toets die de borrelpraat niet doorstaat
De redenering achter de reflex is simpel. Als één-bieder-percelen vooral voortkomen uit afspraken of uit een dichtgetimmerde relatie, dan zou juist dáár de oude bekende moeten winnen: de partij die de afgelopen jaren al eerder van dezelfde opdrachtgever won. Dat is te meten. Voor elke gunning in bouw en ingenieursdiensten (CPV 45 en 71) op TenderNed tussen 2021 en 2025 hebben we de winnaar gekoppeld aan het aantal biedingen op het perceel — en aan de gunningshistorie van die opdrachtgever.
Het patroon dat de reflex voorspelt, is er niet.
| Biedingen op het perceel | Gunningen | Herhaalwinnaar¹ | Huisleverancier² |
|---|---|---|---|
| 1 | 547 | 32,0% | 18,1% |
| 2 | 928 | 31,8% | 15,1% |
| 3–4 | 2.181 | 31,8% | 14,2% |
| 5+ | 3.242 | 26,0% | 7,7% |
¹ Winnaar had in de voorafgaande vijf jaar minstens één eerdere gunning van dezelfde opdrachtgever. ² Winnaar is de meest frequente winnaar van die opdrachtgever over 2016–2025. Bron: TenderNed OCDS, CPV 45/71, gunningen 2021–2025.
Bij één bieder wint een herhaalwinnaar in 32,0 procent van de gevallen. Bij twee bieders: 31,8 procent. Bij drie of vier: eveneens 31,8 procent. Het maakt, met andere woorden, voor de kans dat de oude bekende wint vrijwel niets uit of er concurrentie was. Pas bij vijf of meer bieders zakt het aandeel naar 26,0 procent — wat weinig verrast: hoe voller het veld, hoe kleiner de kans dat uitgerekend de bekende partij als eerste eindigt.
Eén cijfer verdient een tweede blik. De huisleverancier — de partij die over tien jaar het vaakst van die opdrachtgever won — pakt 18,1 procent van de één-bieder-percelen, tegen 14 à 15 procent bij betwiste percelen. Dat is licht verhoogd, en het is eerlijk om dat te benoemen. Maar ook dit patroon heeft een onschuldige lezing die met de rest van de data spoort: waar niemand anders komt opdagen, wint de partij die het werk al kent.
Een verdeelde markt ziet er anders uit
Wie de markt verdeelt, concentreert hem. Ook dat is te meten, en ook hier beweegt de werkelijkheid de verkeerde kant op voor de kartelthese. Het aandeel van de twintig meest winnende bedrijven in alle gunningen in bouw en ingenieursdiensten dáálde van 36,8 procent in 2016 naar 19 à 21 procent in 2022–2025. Het aantal unieke winnaars per jaar steeg in dezelfde periode van 453 naar 1.016 — ruim een verdubbeling. Er winnen dus méér verschillende bedrijven dan ooit, terwijl er per perceel steeds minder komen opdagen.
Dat "minder komen opdagen" is het echte verhaal. Het aandeel percelen met precies één inschrijver in bouw en ingenieursdiensten steeg van 4,9 procent in 2017 via 10,3 procent in 2023 naar 12,1 procent in 2025 — tweeënhalf keer zoveel. Het mediane aantal biedingen per perceel zakte van 4 à 5 naar 3. En dat gebeurde over de hele linie, bij honderden opdrachtgevers tegelijk — niet bij een handvol diensten met opvallend trouwe winnaars, wat je bij lokale afspraken zou verwachten.
De verklaring ligt niet in de achterkamer maar op de werkvloer. De orderportefeuilles van Nederlandse bouwers stonden in het najaar van 2024 op 11,0 maanden werk — het hoogste niveau sinds de meting in 2000 begon — terwijl TenderNed in datzelfde jaar 7,5 procent méér aanbestedingen registreerde. Meer vraag, dezelfde handen: calculatiecapaciteit is schaars geworden, en een serieuze inschrijving kost weken rekenwerk. Bedrijven kiezen dus — en laten de percelen met veel risico of weinig marge links liggen. Het zichtbaarste geval was Rijkswaterstaat zelf, dat in januari 2024 de aanbesteding van de Van Brienenoordbrug van ruim 400 miljoen euro afbrak nadat zich precies één inschrijver had gemeld. TenderNed becijferde in eigen analyse dat het gemiddelde aantal biedingen op werken terugliep van 6,8 in 2017 naar 4,3 in de eerste helft van 2024 — hetzelfde beeld als in onze reeks.
Wat dit wel en niet bewijst
Twee kanttekeningen horen erbij. Dit zijn gemiddelden over duizenden gunningen; ze sluiten geen enkel individueel geval uit, en ze zijn geen juridisch oordeel — wij laten zien welk patroon de data wel en niet ondersteunt, meer niet. En de meting kent grenzen: we tellen op KVK-niveau, waardoor bouwcombinaties en project-bv's een herhaalwinst kunnen verhullen, en we zien alleen wat via TenderNed is gepubliceerd. De reflex zelf is bovendien niet uit de lucht gegrepen: in 2001 bleek hij volkomen terecht. Juist daarom is het de moeite waard om te blijven meten of het patroon van toen nog bestaat. Ons antwoord, op deze data: nee.
Voor wie inschrijft, is de conclusie prettig tegendraads. Dat perceel waar u vermoedelijk alleen zult staan, is geen dichtgetimmerde markt — het is een open deur. De concurrent is niet omgekocht; hij is thuisgebleven, met een volle orderportefeuille en een lege calculatieafdeling. Eén op de acht percelen in de bouw wordt inmiddels zonder tegenstand gegund. De vraag is niet meer wie de markt verdeelt. De vraag is wie er nog komt opdagen.
Steinlog